Blog
Book project: Next Europe

Artikel Idee 2012 over Europa en burger

Vertrouwen in Europa

Waarom we juist nu snel verder moeten met de EU

De eurocrisis heeft weinig heel gelaten van het al langer tanende vertrouwen van burgers in het Europese project. De enige manier om draagvlak en vertrouwen te herstellen is om een Grote Stap Voorwaarts te nemen richting een federale unie, zo meent Joop Hazenberg. En daarbij spelen jongeren een cruciale rol.

Europa is een succes en een mislukking tegelijk. Het belang van Europese samenwerking kan niet worden overschat, zeker na de snelle verbreding en verdieping van de afgelopen jaren. Sinds 2009 heeft de Europese Unie meer dan een half miljard inwoners en geeft een Europese President sturing aan de kolos. Op sommige beleidsterreinen komt meer dan tweederde van de nationale wet- en regelgeving uit Brussel. De huidige eurocrisis versnelt dat proces. Ook tussen bedrijven, maatschappelijke instellingen en culturen vindt onderlinge integratie plaats. Het Europese bedrijfsleven werkt onderling steeds meer samen en de handelsstromen en taakverdeling nemen structureel toe. Echter, terwijl Europa ‘steeds belangrijker’ wordt, staan burgers en politici steeds sceptischer tegenover het integratieproject. Hebben ze nog wel vertrouwen in de gedachte van een groot Europa? In dit artikel schets ik de enige, maar paradoxale manier om dit vertrouwen te herstellen: een verdere federalisering van Europa is absolute noodzaak, maar dit proces stuit de huidige generatie politici en kiezers tegelijkertijd tegen de borst.

Europese zeepbel?

Het proces van Europese integratie heeft zich sinds de val van de Muur razendsnel ontwikkeld. Het aantal lidstaten explodeerde in een zeer korte tijd van twaalf naar zevenentwintig, Brussel kreeg veel meer macht over veel meer beleidsterreinen, en de euro werd ingevoerd. Dit alles gebeurde in een wereld waar na 1989 ook buiten Europa de grenzen wegvielen en de onderlinge verwevenheid tussen economieën, volken en culturen razendsnel toenam. Zolang de wereldeconomie groeide en de welvaart toenam, kon de EU deze transities verwerken en hadden de burgers niet zoveel redenen om zich tegen Europa te keren, ondanks het gebrek aan politieke inspraak en gevoeligheden van de uitbreidende interne markt. Het bier werd duur, de goedkope Poolse loodgieter was handig maar we voelden ons er wel wat ongemakkelijk bij, en een Europese Grondwet wilden we evenmin. Maar de échte implicatie, het verlies aan soevereiniteit als gevolg van globalisering en Europese integratie, bleef verborgen door de zeepbel van economische groei.

Deze bel is echter krachtig uiteengespat. De wereld en de welvaart bleken ineens kwetsbaar, onvoorspelbaar, zelfs oncontroleerbaar. De kredietcrisis ontkiemde in een haast ontembaar financieel-economisch systeem waarin staten en internationale organisaties machteloos aan de zijlijn stonden. Vooral in Europa werden fundamentele politieke en economische zwakheden pijnlijk zichtbaar. De economische concurrentiepositie is niet best; het onderwijs laat in veel EU-lidstaten te wensen over; het arbeidsmarktbeleid is slap; er wordt veel te weinig in de kenniseconomie geïnvesteerd. De zo bejubelde Lissabon-agenda (‘in 2010 is Europa de meest competitieve regio ter wereld!’) van de EU bleek faliekant mislukt.

Draagvlak en vertrouwen

De eurocrisis versterkte een al tanend draagvlak en vertrouwen in het Europese project. Het gaat hierbij in de kern om de overdracht van invloed – soevereiniteit – van een nationaal naar een Europees niveau. Deze spanning kwam sterk naar boven tijdens het debat over de Europese Grondwet. Ondanks hoge steuncijfers voor de Europese Unie (bijna 80% van de Nederlanders vindt de Unie een goede zaak) stemde 62% in het referendum van 2005 tegen. Uit de vele onderzoeken naar het ‘Nederlandse Nee’ kwam geen eenduidig beeld naar voren. Wel werd duidelijk dat veel Nederlanders de Europese integratie te snel en te ingrijpend vonden. Verder voelden veel burgers zich niet betrokken bij de Unie en hadden ze het idee dat de politiek geen greep had op de ontwikkelingen in Brussel.

Ondanks deze tekenen van wantrouwen is zes jaar later de steun voor Europa nog steeds relatief hoog, al kalft die wel langzaam af. In 2011 vindt 47% van de Nederlanders het lidmaatschap van de EU ‘een goede zaak’, dat was twee jaar eerder nog 52%. Ook neemt het aantal tegenstanders van EU-uitbreiding toe: 59% vindt de uitbreiding genoeg of zelfs te ver gegaan. In 2009 lag dit percentage op 47%. Het eurosceptische geluid is duidelijk doorgedrongen tot in het hart van de politiek. Partijen die de invloed van Europa willen terugdringen of zelfs terugdraaien, wonnen zowel bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2009 als bij de nationale verkiezingen in 2010. De kritiek is vooral dat we met onze ‘sponsoring aan Brussel’ geen waar voor ons geld krijgen.

Dit ongenoegen en gebrek aan vertrouwen in Brussel heeft zich vertaald in de woorden en daden van het huidige regering. Het kabinet Rutte-Verhagen wil zich op eiland Nederland terugtrekken, maar stuurt eerst de troepen op Brussel af om een reeks Europese besluiten terug te draaien. ‘De EU dient zich te beperken tot de kerntaken’,  aldus het regeerakkoord. En: ‘het kabinet zal zich inzetten voor een substantiële vermindering van de afdrachten door Nederland aan de EU’. Ook is het wel welletjes geweest met de integratie: ‘Met het verdrag van Lissabon is voor de komende periode de grens bereikt van overdracht van nationale bevoegdheden aan de EU’. De Kamer doet ook aan deze retoriek mee en verbiedt het kabinet ‘elke beweging naar een politieke unie’ (Motie-Slob, maart 2011). En ik zwijg maar over het meldpunt MOE-landen van de PVV.

Dit anti-Europese geluid is echter niet meer dan futiel tromgeroffel dat de zich geruisloos voltrekkende beweging naar Europese eenheid verstomt maar niet verandert. Herwaardering van nationale soevereiniteit is een gepasseerd station. In mijn nieuwe boek De machteloze staat ga ik uitgebreid op de risico’s van de ‘rituele dans’ van de Tweede Kamer en het kabinet over het Europabeleid. Dat beleid verschuift steeds meer van de hoofdsteden naar een Europees niveau waarin de Raad en het Europees Parlement het voor het zeggen hebben. Voor het nationale parlement rest niets meer dan ketelmuziek. Deze overdracht aan soevereiniteit zal de steun voor Europa niet vergroten. Europa is een ‘moetje’. Daarmee neemt het vertrouwen in Europa alleen maar verder af. Tegelijkertijd kan dit vertrouwen enkel worden hersteld door het integratieproces van een nieuw fundament te voorzien. Het discours van veiligheid en vrede is versleten. Voordat Europese burgers weer zullen vertrouwen in het integratieproject heeft Europa een nieuw raison d’être nodig.

De paradox: federalisering leidt tot meer vertrouwen

Om mee te komen met de ‘stroomversnelling van de geschiedenis’ (een begrip van de Vlaamse politicoloog Rik Coolsaet) is een veel drastischere herziening van de Europese structuren (en van onze mentaliteit) nodig dan de economische unie waar nu op wordt aangestuurd. Dit gaat veel verder dan het beteugelen van de eurocrisis, maar ook over het veiligstellen van ‘onze’ waarden. En met die waarden bedoel ik vooral het borgen van het ‘Europese Sociale Model’ dat de verzorgingsstaat heeft. Hierin zijn we uniek in de wereld, waar anders staat de solidariteit zó hoog in het vaandel? En natuurlijk ook in het feit dat we over bestaande natiegrenzen heen, nauw samen kunnen werken. Daarin is Europa meer een voorbeeld in de wereld dan we vaak beseffen.

Om het goede van Europa te behouden en mee te kunnen in de wereldwijde stroomversnelling, moet Europade Grote Stap Voorwaarts nemen naar een federale Unie. Maar dat betekent toch gelijk het einde van de nationale democratie? Deels. Ik voorzie niet het opheffen van het nationale parlement, maar wel het vergaand overdragen van verantwoordelijkheden naar Brussel, waarbij het Europees Parlement omgevormd zou moeten worden tot een ‘Huis van Nationale Afgevaardigden’, bestaande uit nationale parlementariërs.

Dit is toekomstmuziek. De huidige generatie politici zal dit absoluut niet willen. Ze voelen zich gesterkt door hun nationale achterban, die de enorme versnelling van het Europese integratieproces van de afgelopen twintig jaar nog nauwelijks heeft verwerkt. Maar de wereld wacht niet op de Europese psychologische beslommeringen, en de financiële markten al helemaal niet. Veel twintigers en dertigers beseffen dit. Deze generatie, voor wie de Tweede Wereldoorlog echt al lang geleden is en na de Koude Oorlog is opgegroeid, gelooft in Europa en in de welvaartsstaat, maar niet in grenzen en al helemaal niet in de natiestaat. De jongeren van vandaag beseffen heel goed dat welvaart geen vaststaande zekerheid is en dat een betere balans met de wereld, de natuur en de banken nodig is om Europa overeind te houden. Dat blijkt uit verschillende onderzoeken van zowel het SCP als de eurobarometer – jongeren zijn structureel minder gehecht aan structuren en landsgrenzen. In mijn eigen hoogopgeleide kring is de angst voor het verval van de natiestaat alleen bij een enkeling te horen.

Het is van cruciaal belang dat de generatie van twintigers en dertigers zich sterk gaat maken voor de federalisering van Europa. Zij kunnen komen met een nieuw discours dat het vertrouwen in het integratieproject kan herstellen. Daar ben ik zelf mee bezig met eigen publicaties en met het bijeen brengen van betrokken jongeren in de denktank Prospect, onder meer uitmondend in de essaybundel Dappere nieuwe wereld. Maar er is meer nodig: ik vind ook dat deze generatie een echte politieke generatie zou moeten worden a la de 1968-ers, maar dan op een vernieuwende manier. Hoe – dat weet ik nog niet precies.

Ik ben ervan overtuigd dat het nieuwe Grote Verhaal over Europa alléén door deze – ook mijn – generatie geformuleerd en uitgedragen kan worden. De huidige politieke leiders en hun vergrijzende achterban zitten vast in natiestaat-denken, weten niet hoe ze Europa aan het volk moeten verkopen (behalve dan dat het móet), en maken daarmee de weg vrij voor nationalistisch-populistische stromingen zoals die van de PVV en de SP. Deze ontwikkeling is gevaarlijk, want zij stelt Europa in een kwaad daglicht en erodeert daarmee het vertrouwen in het integratieproces. Daarom pleit ik voor een actieve inzet van jongeren om hún visie op de toekomst van Europa te formuleren en uit te dragen. Een inzet die niet alleen nodig is om het proces van wegvallende grenzen goed te begeleiden, maar om daarvoor ook langdurige en duurzame steun binnen de Nederlandse bevolking tot stand te brengen.

Joop Hazenberg (1978) is schrijver en Eurospecialist. In februari 2012 verscheen zijn derde boek De machteloze staat, uitgegeven door De Geus. Dit artikel is deels op het hoofdstuk over Europa gebaseerd. Voor meer informatie: www.changegeneration.nl.