Blog
Book project: Next Europe

Essay Raad Openbaar Bestuur 2012

De machteloze natiestaat op ramkoers met de toekomst

Joop Hazenberg

Bijdrage voor een essaybundel van de Raad voor het Openbaar Bestuur

Amsterdam, 20 mei 2012

Door het uiteenspatten van de economische groei is de fundamentele spanning in het Europese integratieproces bloot komen te liggen. We beseffen onvoldoende de implicaties van de enorme verwevenheid van de Europese lidstaten, die in slechts twintig jaar tijd enorm is toegenomen. Met name de relatie tussen de natiestaat en ‘Brussel’ laat te wensen over.

De sprong voorwaarts – naar een federale Unie – is de enige manier om de legitimiteit en de welvaart van de Europese Unie te behouden. In dit artikel doe ik een aantal concrete voorstellen voor de federalisering van de EU. Verder is een nieuw discours voor het integratieproject nodig: een verhaal dat alleen door de generatie van twintigers en dertigers kan worden geformuleerd en uitgedragen.

 

Het proces van Europese integratie heeft zich sinds de val van de Muur in 1989 razendsnel ontwikkeld. Het aantal lidstaten explodeerde in een zeer korte tijd van twaalf naar zevenentwintig, Brussel kreeg veel meer macht over veel meer beleidsterreinen, en de euro werd ingevoerd. Dit alles gebeurde in een wereld waar na 1989 ook buiten Europa de grenzen wegvielen en de onderlinge verwevenheid tussen economieën, volken en culturen razendsnel toenam.

Zolang de wereldeconomie groeide en de welvaart toenam, kon de EU deze transities verwerken en hadden de burgers niet zoveel redenen om zich tegen Europa te keren, ondanks het gebrek aan politieke inspraak en gevoeligheden van de uitbreidende interne markt. Het bier werd duur, de goedkope Poolse loodgieter was handig maar we voelden ons er wel wat ongemakkelijk bij, en een Europese Grondwet wilden we evenmin. Maar de échte implicatie, het verlies aan soevereiniteit als gevolg van globalisering en Europese integratie, bleef verborgen door de zeepbel van economische groei.

Deze bel is echter krachtig uiteengespat. De wereld en de welvaart bleken sinds 2008 kwetsbaar, onvoorspelbaar, zelfs oncontroleerbaar. De kredietcrisis ontkiemde in een haast ontembaar financieel-economisch systeem waarin staten en internationale organisaties machteloos aan de zijlijn stonden. Vooral in Europa werden fundamentele politieke en economische zwakheden pijnlijk zichtbaar. De economische concurrentiepositie is niet best; het onderwijs laat in veel EU-lidstaten te wensen over; het arbeidsmarktbeleid is slap; er wordt veel te weinig in de kenniseconomie geïnvesteerd. De zo bejubelde Lissabon-agenda (‘in 2010 is Europa de meest competitieve regio ter wereld!’) van de EU bleek faliekant mislukt.

Kan Nederland eigenlijk wel omgaan met het Europese project en het onvermijdelijke verlies aan zelfstandige macht en invloed? Hoe kijken burgers tegen Brussel aan? Welke lessen moeten we uit de eurocrisis trekken en kunnen we tot een nieuwe verhouding tussen de Europese Unie en haar lidstaten komen?

De snelle verbreding en verdieping

Om deze vragen goed te beantwoorden, moeten we eerst terugblikken op de fenomenale verbreding en verdieping van het Europese integratieproces, zoals zich dat de afgelopen twee decennia heeft voltrokken.

Eerst de verbreding. Waar de Europese Gemeenschap in de jaren zestig tot en met tachtig vooral een kleine club van West-Europese landen was, is de Unie van na de val van de Muur er onderhand een van continentale proporties. Om van de zuidwest- naar noordoost-hoek van de EU te rijden (van Portugal naar Finland) ben je twee dagen en negen uur onderweg, over een afstand van 5500 kilometer. De as Noord-Schotland – Cyprus is niet eens over land te doen en omspant een wijdte van bijna 3800 kilometer.

Het proces van de uitbreiding ging heel snel. De motor werd in 1992 aangezet en in 2007 kregen Roemenië en Bulgarije als laatste in een lange rij nieuwe lidstaten het groene licht. In slechts vijftien jaar kreeg de exclusieve club er twaalf leden bij. Maar de uitbreiding is niet van harte gegaan. Grote landen als Frankrijk en Duitsland houden hun arbeidsgrenzen zoveel mogelijk dicht totdat ze door de Europese Commissie zullen worden gedwongen alle inwoners van de EU toe te laten. In Nederland moeten van sommige burgemeesters werkloze Polen in de bus worden gezet, terug naar het eigen land. De Polen zouden bovendien verantwoordelijk zijn voor talloze auto-ongelukken waarbij alcohol in het spel was, diefstal van koperdraden bij de spoorwegen, en andere criminele zaken. Roemenen en Bulgaren maken de straten onveilig met diefstal, het skimmen van pinpassen en heuse bendes die een plaag voor het land zouden vormen.

Weerstand of niet, verdere uitbreiding van de EU ligt in het verschiet. Op korte termijn worden Kroatië, Macedonië en IJsland lid. Binnen nu en tien jaar volgen waarschijnlijk Servië, Turkije, Montenegro, Albanië, Kosovo en Bosnië-Herzegovina. De laatste loodjes zijn Noorwegen, Zwitserland, Moldavië, Oekraïne en Wit-Rusland. Alleen Moldavië is een reële optie, de andere landen zijn óf te arm óf te zelfstandig.

De Europese Unie zal behalve Turkije (82 miljoen inwoners, allemaal moslim!) in de komende tien jaar groeien naar zo’n 33 lidstaten en ongeveer 550 miljoen inwoners. Zeventig jaar na de verwoestende Tweede Wereldoorlog zullen al deze natiestaten dan vrijwillig verenigd zijn in één ideaal, in één open markt en (als ze dat willen) in één munt.

Dan de verbreding. Zoals de Europese Unie steeds meer fysieke ruimte krijgt, zo groeit ook haar beleidsruimte – ten koste van de macht van de individuele lidstaten. In de jaren zeventig en tachtig was nog sprake van een ernstige ‘eurosclerose’. Na een aanvankelijke succesrijke start van het Europese integratieproject liepen de wielen vast. De kleine groep lidstaten (de EU begon met zes leden) slaagde er niet in het proces op gang te houden, onder meer door de grote economische malaise. Nationalistisch en protectionistisch beleid voerde de boventoon, van een gemeenschappelijke munt was geen sprake. Veel West-Europese landen peinsden er niet over toe te treden tot de toenmalige Europese Gemeenschap. Er werd zelfs gesproken over het einde van het hele integratieproces.

Na de plotselinge val van de Muur in 1989 en het daarop volgende einde van de Koude Oorlog, kreeg het wat stoffige doel van Europese eenwording een totaal nieuwe dynamiek.  Tegelijk met de uitbreiding kwam de ruimte vrij voor de weg vrij voor invoering van de euro, het optuigen van een interne markt, en het uitbreiden van de Europese invloed op nieuwe beleidsterreinen.

Zo is Europa, met kleine en grote stappen, veranderd van een functioneel in een zuiver politiek proces. Die uitte zich behalve in invoering van de euro (in 1999) ook in actieve bemoeienis van de EU op gebieden als justitie en binnenlandse zaken, het buitenlands- en veiligheidsbeleid, milieuwetgeving en sociaal beleid. Europa moest een echte speler in de wereld worden, en daarvoor was het essentieel dat a) de economische integratie veel intenser werd, b) met één stem moest worden gesproken in de wereld, en c) West- en Oost-Europa werden verenigd.

Met het Verdrag van Lissabon uit 2009 is die ambitie flink dichterbij gekomen, zeker in combinatie met alle ‘governance’ maatregelen om de eurozone stuurbaar te houden. Hoewel het beeld van Europa nog steeds er eentje is van doormodderen, in die twintig jaar is ongelofelijk veel macht overgedragen naar een supranationaal niveau, zonder dat overdracht die tot massale weerstand heeft geleid.

Invloed en impact

Door de toegenomen verwevenheid heeft de Europese Unie onderhand op bijna elk nationaal beleidsterrein actieve invloed gekregen. Alleen nog op gebied van volksgezondheid, onderwijs, sociale zaken, cultuur en toerisme zijn de bevoegdheden strikt nationaal. Maar zelfs daar niet: Europa bemoeit zich, al dan niet aangejaagd door het Europees Parlement, met zaken als uitwisseling van studenten, uniformiteit van diploma’s, obesitas, tabaksreclame en de financiering van sportclubs. Dat alles in het kader van het algemeen belang: Europa is als geheel beter af als alle inwoners gezond zijn, dezelfde diploma’s hebben, niet te veel roken.

Deze revolutie heeft zich echt over de hoofd van de gemiddelde burger afgespeeld, zeker omdat er in de nationale politiek nauwelijks belangstelling bestond – en bestaat – voor de EU. Al die nieuwe verdragen, verordeningen en richtlijnen, kaderprogramma’s en structuurfondsen zeiden de gemiddelde burger natuurlijk niets en ze kwámen ook uit het niets, ongehinderd door de afwezigheid van een levendige Europese democratie.

Hoeveel invloed hééft Europa nu? Die valt niet in cijfers uit te drukken, alhoewel hier wel een relativering op zijn plaats is als het gaat om de herkomst van nationale wetgeving. ‘Tachtig procent van de regels komt uit Brussel!’ pochte Jacques Delors, de legendarische voorzitter van de Europese Commissie in 1988. Daarna ging deze uitspraak een eigen leven leiden en werden veelvuldig guesstimates gedaan, meestal tussen de dertig en zeventig procent. De laatste inzichten duiden op een invloed van ongeveer tien tot vijftien procent van de Europese Unie op nationale wetgeving. De bestuurskundigen Mark Bovens en Kutsal Yesilkagit kwamen op een invloed van precies 12,6 procent (Bovens en Yesilkagit, 2005).

De daadwerkelijke invloed van de EU op natiestaten dienen we vooral op andere manieren te bepalen. Fundamentele besluiten als die van de interne markt en de invoering van de euro een hebben een enorme doorwerking op het onderscheid tussen culturen, meningen en levensstijlen. De interne markt maakt immers de vrijheid van personen, goederen, diensten en kapitaal mogelijk. Die besluiten passen soms op een aantal kantjes maar hebben een uitwerking die misschien wel verder gaat dan de totale wetgeving uit Brussel.

De Europese Unie heeft als bovenliggende bestuurslaag vooral een ‘conditionerende werking’ ontwikkeld, die inhoudt dat als gevolg van geschreven en ongeschreven regels en wetten, nationale overheden in een steeds afgebakender beleidsveld opereren. Binnen dat veld zijn ze autonoom, maar zodra ze een economische of onderling afgesproken regel overtreden, worden ze op hun handelingen aangesproken of zelfs gestraft. Vindt Nederland het belangrijk om woningcorporaties te helpen met het leefbaar maken van woonwijken? Dat is staatssteun, oordeelt de Europese Commissie. Willen we de doctorandus titel behouden? Kan niet, zegt de Europese onderwijsgemeenschap. Kunnen de grenzen voor personen weer tijdelijk worden gecontroleerd, zoals Denemarken in 2011 bepleitte? Het antwoord van de andere lidstaten was negatief.

Door dit soort zaken wordt het tanend draagvlak en vertrouwen in het Europese project steeds dunner. Het gaat hierbij in de kern om de politiek vrijwel onbesproken overdracht van invloed – soevereiniteit – van een nationaal naar een Europees niveau. De Nederlandse invloed is zowel in feitelijke als subjectieve vorm afgenomen. Zo is het aantal stemmen binnen de ministeriële raden gekrompen: Nederland heeft nu evenveel stemmen in de Raad als de ChristenUnie in de Tweede Kamer. Verder zijn er minder Nederlandse Europarlementariërs en zitten de nationale vertegenwoordigers nu met liefst 26 counterparts om de vele Brusselse vergadertafels.

De spanning tussen natiestaat en Europa kwam sterk naar boven tijdens het debat over de Europese Grondwet. Ondanks hoge steuncijfers voor de Europese Unie (bijna 80% van de Nederlanders vindt de Unie een goede zaak) stemde 62% in het referendum van 2005 tegen. Uit de vele onderzoeken naar het ‘Nederlandse Nee’ kwam geen eenduidig beeld naar voren. Wel werd duidelijk dat veel Nederlanders de Europese integratie te snel en te ingrijpend vonden. Verder voelden veel burgers zich niet betrokken bij de Unie en hadden ze het idee dat de politiek geen greep had op de ontwikkelingen in Brussel.

Zes jaar later is de steun voor Europa nog steeds hoog, al kalft die steun wel langzaam af. In 2011 vindt 47 procent van de Nederlanders het lidmaatschap van de EU ‘een goede zaak’, dat was twee jaar eerder nog 52 procent. Ook neemt het aantal tegenstanders van EU-uitbreiding toe: 59 procent vindt de uitbreiding genoeg of zelfs te ver gegaan. In 2009 lag dit percentage op 47 procent (SCP, 2011: 23).

‘Burgers schikken zich in het onvermijdelijke’, schreef het SCP in een analyse van deze cijfers. ‘We weten dat economische samenwerking voor een klein land als Nederland noodzakelijk is, maar blij zijn we er niet mee.’ De belangrijkste overwegingen om wel of juist niet in de EU te geloven zijn enerzijds het economisch profijt en anderzijds ‘de gepercipieerde bedreiging van de Europese identiteit.’ (SCP, 2011: 31)

Politieke reactie

In dit klimaat is het eurosceptische geluid duidelijk doorgedrongen tot in het hart van de politiek. Partijen die de invloed van Europa willen terugdringen of zelfs terugdraaien, wonnen zowel bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2009 als bij de nationale verkiezingen in 2010. Het kabinet Rutte-Verhagen wilde een reeks Europese besluiten terugdraaien. Werkloze EU-burgers moesten het land uit, veertig sociale verdragen en afspraken zouden worden opgezegd. De Kamer deed aan deze retoriek mee en verbood het kabinet ‘elke beweging naar een politieke unie’ (Motie-Slob, maart 2011).

‘Op nationaal niveau is steeds meer oog voor politiek en proces, in plaats van voor beleid en inhoud,’ constateert Caspar van den Berg, die promoveerde op de impact van Europa op de nationale ambtelijke apparaten in verschillende lidstaten, en aan deze bundel een bijdrage levert. ‘Zowel beleid en inhoud zijn naar het Europese domein verhuisd, hetgeen ten koste gaat van de legitimiteit van het nationale bestuur. We focussen ons zeer sterk op de lopende korte termijndiscussie in Den Haag, maar daar spelen de issues niet. Den Haag wordt steeds meer een rituele dans tussen steeds weer dezelfde spelers.’ (Hazenberg, 2012)

Die rituele dans is een groeiend probleem voor de democratische legitimiteit van de Tweede Kamer en het kabinet. Wie naar een fabriek kijkt waar geen koekjes worden gebakken maar waar wel veel herrie wordt gemaakt, zal snel het geloof in het koekjesmerk verliezen. In de woorden van Van den Berg: ‘De world of politics en de world of policies vielen vroeger samen in dezelfde, nationale, politieke arena. Daar vond een voor het publiek zichtbare afweging van belangen plaats, hetgeen essentieel is voor de legitimiteit.’ (Hazenberg, 2012) Maar door het Europese integratieproces is de world of policy – de koekjesmachine – stilletjes naar Brussel verplaatst. De world of politics staat nu met lege handen en kan hooguit ketelmuziek maken. Bovendien vindt het afwegen van belangen dus nu bij de Europese Unie plaats, een proces dat zich afspeelt in een schimmig gebied van Europese en transnationale netwerken. Dit proces heeft zeker niet de belangstelling van de media.

De eurocrisis en de toekomst van Europa

De spanning over de verdiepte Europese integratie komt tot volle uitbarsting in de gemeenschappelijke munt die sinds 1999 bestaat en aanvankelijk heeft geleid tot verdere economische groei en een fysieke (geldelijke) legitimiteit van Europa. De euro heeft deze tijden van recessie en internationale financiële instabiliteit vooral een zware hypotheek op de Europese Unie gelegd, en kan haar uiteindelijk zelfs opblazen.

De eurocrisis is een dwingende aanleiding om het eindstation van de Europese integratie te bespreken. Wat zijn de ideale verhoudingen tussen de 27 lidstaten en de overkoepelende Europese bestuurslaag? Hoeveel landen kunnen er nog bij? Welke beleidsterreinen blijven strik nationaal? Wat betekent de transitie van de natiestaat en de machtsvorming in Brussel voor de inrichting van het nationale politieke en overheidssysteem? En hoe betrekt de politiek de burger bij deze enorme, grensoverschrijdende politieke vragen?

Deze complexe kwesties vereisen leiders van formaat, die zowel een strategisch inzicht hebben, begrijpen hoe de Brusselse processen werken, en burgers kunnen meenemen in het palet aan ingewikkelde keuzes dat voor ons ligt.

Natuurlijk kunnen lidstaten besluiten de eurocrisis met meer steunfondsen en mooie woorden over bezuinigingen te beteugelen. Maar dat zijn lapmiddelen. De wereld wacht niet op Europese besluiten die in 27 lidstaten afzonderlijk moeten worden goedgekeurd. De Europese Unie heeft het globaliseringsproces simpelweg niet bij kunnen benen. Ondanks een snelle integratie van de voormalige Oostbloklanden, de enorme uitbreiding van haar bevoegdheden en de invoering van de euro is de Unie onvoldoende aangepast aan de platte wereld van vandaag. De interne markt is niet voltooid, de 27 verzorgingsstaten lopen te veel uiteen, en tien lidstaten zitten niet in de eurozone.

Aan de wortel van de eurocrisis ligt een fundamenteel zwakke economische concurrentiepositie, niet alleen in Griekenland maar ook in Portugal en andere arme lidstaten. Het onderwijs laat in delen van de Unie te wensen over, het arbeidsmarktbeleid is slap, er wordt veel te weinig in de kenniseconomie geïnvesteerd. In de tussentijd zijn Azië, Zuid-Amerika en zelfs delen van Afrika met een fantastische opmars.

Het is in deze context dat we de eurocrisis moeten bezien. Een pijnlijke spiegel van de Westerse tekortkomingen van eindeloos willen lenen, gemakzuchtig achteroverleunen, niet willen hervormen, een obsessie met de natiestaat, een prélude op onze neergang in de wereld.

Ook als we de zwakste broeders uit de eurozone weten te stabiliseren, blijven de lidstaten als collectief met een gigantische schuldenlast zitten. Die bestaat uit een flinke basislaag van te grote uitgaven voor de verzorgingsstaten, opgetopt door massale overheidsinvesteringen direct na de kredietcrisis (tot wel 16 procent van het BNP), en tot over de rand gevuld met opgekochte Zuid-Europese schuldpapieren, garanties voor het Europees Stabilisatie Mechanisme en wie weet wat nog volgt.

Als deze maatregelen niet werken zal de eurozone op een zeer dramatische manier breken en een negatieve spiraal in Europa op gang brengen, die het fundament onder Europese integratie wegslaat. De burgers willen misschien niet, maar de rationele noodzaak tot verdere integratie om het eigen hachje te redden neemt alleen maar toe. We zitten vast in een Europees spinnenweb en dat moeten we ons realiseren, zonder daar bang voor te zijn.

Een andere bedreiging voor Europa is het ontbreken van een verbindend verhaal. Nog steeds worden vrede en veiligheid als voornaamste steunpilaren genoemd onder het bouwwerk van de Europese integratie. Maar twintig jaar na de val van de Muur klinkt dat betoog achterhaald. Evenmin valt te stellen dat we allemaal Europeanen zijn of dat de EU zoveel voordelen biedt, want van dat eerste zijn hooguit de jongeren overtuigd en over die voordelen, daar zullen de meningen nogal verschillen. Eerder lijkt de EU vooral een bedreiging voor de nationale soevereiniteit, een ontwikkeling waar politici maar al te graag op inspelen.

Naar de Verenigde Staten van Europa

Hoe om te gaan met deze fundamentele spanningen? Ik voorzie twee opties: een ontmanteling van de EU tot een vrijhandelszone, of juist toewerken naar een politieke Unie. Ik hoop – uiteraard – op het tweede scenario.

Als een van de founding fathers – en groot profiteur – van de Europese Unie moet Nederland zo snel mogelijk weer een leidende positie nemen in Brussel. Te lang heeft ons land aan de zijlijn gestaan, terwijl intellectueel en moreel leiderschap in de stuurloze EU juist vanwege de eurocrisis en de euroscepsis keihard nodig is. Nederland zou aan de basis moeten staan voor een ambitieuze sprong voorwaarts om van de permanente bestuurslaag die de EU nu al is, een Verenigde Staten van Europa te maken. Ik denk dat mijn generatie klaar is voor deze rigoreuze stap.

Twintigers en dertigers zijn niet verknocht aan de natiestaat, zien in dat het koppelen van de verzorgingsstaten een noodzaak is die niet meteen tot het einde van Nederland leidt. Dat is dan ook gelijk de basis voor het nieuwe Grote Verhaal over Europa, dat het versleten relaas over vrede en veiligheid kan vervangen. Het Grote Verhaal richt zich niet op harde geopolitiek zoals uit de Koude Oorlogtijd, maar op het delen van de unieke Europese waarden in de steeds kleiner wordende wereld, onze standaard van leven en welzijn, het omarmen van diversiteit en vrijheid, het steeds verder bevorderen van Europese – en wereldwijde – integratie. Kortom: Europa als Gidsland.

Dit gaat veel verder dan het beteugelen van de eurocrisis, maar ook over het veiligstellen van ‘onze’ waarden. En met die waarden bedoel ik vooral het borgen van het ‘Europese Sociale Model’ dat de verzorgingsstaat heeft. Hierin zijn we uniek in de wereld, waar anders staat de solidariteit zó hoog in het vaandel? En natuurlijk ook in het feit dat we over bestaande natiegrenzen heen, nauw samen kunnen werken. Daarin is Europa meer een voorbeeld in de wereld dan we vaak beseffen.

De eerste twee stappen naar die Verenigde Staten van de EU zijn het tillen van het sociaal-economische beleid naar een Europees niveau en de interne markt vervolmaken. Dan komen de verschillende systemen van de Europese verzorgingsstaten op een gelijkwaardiger niveau. Dat zal uiteindelijk de euro en Europa ten goede komen, maar dan moeten wel heilige huisjes als nationaal pensioenbeleid en een nationaal belastingstelsel sneuvelen, misschien zelfs die van de nationale democratie. Willen lidstaten niet aan deze ingrijpende federalisatie van de EU, dan komen ze in een tweede ring waar ze bijvoorbeeld worden uitgesloten van deelname aan de euro.

Los van deze ambitieuze visie verdient de EU meer aandacht in Den Haag. Daar is een grote inspaning voor nodig, omdat Europa de komende jaren nog veel belangrijker gaat worden – denk bijvoorbeeld aan de versterkte economische samenwerking, de komst van een diplomatieke dienst, verdere uitbreiding en het immigratiebeleid. Het kantoor van de premier dient de Nederlandse inzet voor het Brusselse spel te coördineren en meer contacten binnen de Europese Commissie zijn onontbeerlijk. Voorts is het schaamteloze gebrek aan kennis en belangstelling voor de Unie in de Kamer deels op te lossen door met sterke Europese mandaten voor ministers te werken. Deze praktijk wordt al jaren met succes in Denemarken toegepast en leidt tot een politisering van het Europees beleid. Dat is de noodzakelijke tussenstap om burgers bij Europa te betrekken.

Een tussenstap? Jazeker. Het democratisch tekort van de EU ligt niet alleen in de hoofdsteden. Meer macht naar Europa betekent ook meer democratie op het ‘Brusselse’ niveau. Ik voorzie niet het opheffen van het nationale parlement, maar wel het vergaand overdragen van verantwoordelijkheden naar Brussel, waarbij het Europees Parlement omgevormd zou moeten worden tot een ‘Huis van Nationale Afgevaardigden’, bestaande uit nationale parlementariërs. En de Europese Commissie (of in ieder geval de President) zou direct moeten worden gekozen.

Dit is toekomstmuziek. De huidige generatie politici zal dit absoluut niet willen. Ze voelen zich gesterkt door hun nationale achterban, die de enorme versnelling van het Europese integratieproces van de afgelopen twintig jaar nog nauwelijks heeft verwerkt. Maar de wereld wacht niet op de Europese psychologische beslommeringen, en de financiële markten al helemaal niet.

Daarom is het van cruciaal belang dat de generatie van twintigers en dertigers zich sterk gaat maken voor de federalisering van Europa. Zij kunnen komen met een nieuw discours dat het vertrouwen in het integratieproject kan herstellen. Ik ben ervan overtuigd dat het nieuwe Grote Verhaal over Europa alléén door deze – ook mijn – generatie geformuleerd en uitgedragen kan worden. Zeker omdat jongeren structureel pro-Europeser zijn dan ouderen (SCP, 2007). De huidige politieke leiders en hun vergrijzende achterban zitten vast in natiestaat-denken, weten niet hoe ze Europa aan het volk moeten verkopen (behalve dan dat het móet), en maken daarmee de weg vrij voor nationalistisch-populistische stromingen zoals die van de PVV en de SP. Deze ontwikkeling is gevaarlijk, want zij stelt Europa in een kwaad daglicht en erodeert daarmee het vertrouwen in het integratieproces. Daarom pleit ik voor een actieve inzet van jongeren om hún visie op de toekomst van Europa te formuleren en uit te dragen. Een inzet die niet alleen nodig is om het proces van wegvallende grenzen goed te begeleiden, maar om daarvoor ook langdurige en duurzame steun binnen de Nederlandse bevolking tot stand te brengen.

Joop Hazenberg (1978) is schrijver en Eurospecialist. In februari 2012 verscheen zijn derde boek De machteloze staat, uitgegeven door De Geus. Dit artikel is deels op het hoofdstuk over Europa gebaseerd. Voor meer informatie: www.changegeneration.nl.

Literatuur

Bovens, M. en K. Yesilkagit (2005), De invloed van Europese richtlijnen op de Nederlandse wetgever, Nederlands Juristenblad nr. 10, p. 520-529.

Hazenberg, J. (2012) De machteloze staat. Hoe globalisering en individualisering de overheid uithollen, Breda.

Sociaal en Cultureel Planbureau (2007), Marktplaats Europa, Den Haag.

Sociaal en Cultureel Planbureau (2011), Continu onderzoek burgerperspectieven, kwartaalbericht 2011-1, Den Haag.